ARTIKEL B11 - Indiening verzoek tot betaling verwacht verlies

  • 1.

    De stichting verbindt zich hierbij jegens de geldverstrekker die een verzoek tot een betaling verwachte verlies aan de stichting heeft gedaan om een betaling verwachte verlies te doen, mits door de geldverstrekker aan de overige leden uit dit artikel is voldaan. Dit betreft een op zichzelf staande, separate verplichting van de stichting jegens een dergelijke geldverstrekker. Het is geen verplichting uit hoofde van Artikel A1 en (dus) geen borgtocht in de zin van artikel 7:850 BW. 

  • 2.

    De geldverstrekker mag bij de stichting schriftelijk een verzoek indienen tot een betaling verwachte verlies als er op dat moment sprake is van een wanbetaling die al 20 maanden of langer voortduurt en de woning niet is verkocht. Er mag gedurende die periode en op het moment dat het verzoek wordt ingediend geen sprake zijn van een herstel uit wanbetaling. Het verzoek tot een betaling verwachte verlies dient te geschieden door indiening van het declaratieformulier voor een betaling verwachte verlies. Dit declaratieformulier dient door de geldverstrekker volledig en naar waarheid te worden ingevuld. Het daarbij behorende dossier (zie Artikel A6) dient te worden meegestuurd.

  • 3.

    Mits de geldverstrekker aan de stichting alle voor de beoordeling van het verwachte verlies relevante informatie heeft verstrekt en aan de in lid 4 genoemde voorwaarden is voldaan, zal de stichting binnen één maand na ontvangst van het verzoek voor een betaling verwachte verlies overgaan tot de betaling verwachte verlies. Indien de stichting overgaat tot de betaling verwachte verlies, zal de stichting ook de door de geldverstrekker gemaakte taxatiekosten tot een bedrag van maximaal €500 (exclusief btw) aan de geldverstrekker vergoeden alsmede de over dat bedrag verschuldigde btw.

  • 4.

    De stichting is niet gehouden aan een verzoek tot een betaling verwachte verlies te voldoen indien de geldverstrekker op het moment van het verzoek de door de stichting vastgestelde Normen die gelden op het moment van offreren c.q. datum bindend aanbod van de lening(en) en/of de Algemene Voorwaarden voor Borgtocht, niet in acht heeft genomen, tenzij niet-betaling onredelijk of onbillijk zou zijn jegens de geldverstrekker. Voor zover in die Normen en/of Algemene Voorwaarden voor Borgtocht wordt gesproken over 'borg', 'borgtocht' of 'borg staan', dan zal dat voor de toepassing van dit Artikel B11 lid 4 worden gelezen als een verwijzing naar de betaling verwachte verlies.

  • 5.

    Indien een betaling verwachte verlies is gedaan door de stichting en er daarna sprake is van een herstel uit wanbetaling, dan is de geldverstrekker gehouden dit binnen één maand te melden bij de stichting. De geldverstrekker dient de betaling verwachte verlies vervolgens binnen één maand na deze melding aan de stichting terug te betalen. Indien na een herstel uit wanbetaling opnieuw sprake is van een wanbetaling, wordt dit beschouwd als een nieuwe wanbetaling.

  • 6.

    De geldverstrekker maakt zelf geen aanspraak meer op een betaling verwachte verlies nadat hij de lening of de vordering op de geldnemer uit hoofde van de lening aan een derde heeft overgedragen. Indien een betaling verwachte verlies door de stichting is gedaan en er daarna sprake is van een dergelijke overdracht, dan dient de geldverstrekker de betaling verwachte verlies binnen één maand na die overdracht aan de stichting terug te betalen.

Sinds 31 maart 2020 kunnen alle geldverstrekkers gebruik maken van het recht op een betaling verwachte verlies (zie B12), dient . Dat kan voor zowel nieuwe leningen als leningen die zijn geoffreerd c.q. waarvoor het bindend aanbod is uitgebracht voor die datum.

 

Het recht op een betaling verwachte verlies is geïntroduceerd in verband met de standaardvoorwaarden die worden gesteld aan een garantie om te kwalificeren als toelaatbare kredietprotectie voor banken (Capital Requirements Regulation; CRR). Naast banken kunnen ook andere geldverstrekkers in aanmerking komen voor een betaling verwachte verlies.

 

De betaling verwachte verlies is geen verplichting uit hoofde van Artikel A1 en (dus) geen borgtocht in de zin van artikel 7:850 BW, maar een op zichzelf staande, separate verplichting. Een betaling verwachte verlies is ook geen betaling onder de borgtocht. Dit voorkomt dat de stichting al subrogeert in de rechten van de geldverstrekker jegens de geldnemer bij het doen van de betaling verwachte verlies. Een betaling verwachte verlies doet verder geen afbreuk aan een door de stichting verstrekte borgtocht. De stichting zal een gedane betaling verwachte verlies wel verrekenen met een betaling onder de borgtocht ter vergoeding van het uiteindelijke verlies na verkoop. Hierdoor wordt – in vergelijking met de situatie waarin geen verzoek tot een betaling verwachte verlies wordt ingediend – mogelijk op een eerder moment betaald, maar in totaal wordt evenveel betaald. De verrekening is opgenomen in Artikel B13.


NHG biedt geldverstrekkers het recht op een betaling verwachte verlies. Geldverstrekkers mogen dus zelf kiezen of zij (in een dossier) wel of geen verzoek tot een betaling verwachte verlies indienen. Een verzoek tot een betaling verwachte verlies is mogelijk als de woning nog niet is verkocht en kan op zijn vroegst worden ingediend op het moment dat al 20 maanden sprake is van een wanbetaling. Het verzoek mag ook later worden ingediend. Er mag gedurende voornoemde periode van 20 maanden en op het moment dat het verzoek wordt ingediend echter geen sprake zijn van een herstel uit wanbetaling. De geldverstrekker moet bij een verzoek tot een betaling verwachte verlies het acceptatiedossier (volledig) en het beheerdossier (tot dat moment) meesturen, zodat de stichting kan bepalen of de geldverstrekker tot het moment van het verzoek de door de stichting vastgestelde Normen die gelden op het moment van offreren c.q. datum bindend aanbod van de lening(en) en/of de Algemene Voorwaarden, in acht heeft genomen. 

 

In de definities (Deel 1) is een definitie opgenomen van wanbetaling. Zodra en zo lang de materialiteitsdrempel van meer dan € 100 en 1% is overgeschreden, loopt de telling van de 90 dagen in de definitie van wanbetaling door. Van een wanbetaling is sprake zodra 90 achtereenvolgende dagen zijn verstreken waarbij de achterstand van de geldnemer de materialiteitsdrempel heeft overschreven. Een sterk vereenvoudigd rekenvoorbeeld: Er is sprake van een lening van € 100.000. De maandelijkse betalingsverplichting van de geldnemer jegens de geldverstrekker bedraagt € 600 (rente en aflossing). De geldnemer betaalt de maandtermijnen van oktober en november niet. Daardoor ontstaat een achterstand van € 1.200. Deze achterstand overschrijdt dus de materialiteitsdrempel van € 100 en 1%. Vervolgens hervat de geldnemer de maandelijkse betalingsverplichting van € 600. De geldnemer loopt de reeds ontstane achterstand van € 1.200 echter niet in. Ondanks dat de geldnemer de maandtermijnen in december en daaropvolgend voldoet, zal er alsnog sprake kunnen zijn van een wanbetaling zodra meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds het ontstaan van de achterstand van € 1.200. Als de achterstand echter op enig moment onder de materialiteitsdrempel geraakt, dan stopt de teller. 

 

De geldverstrekker moet een betaling verwachte verlies terugbetalen aan de stichting bij een herstel uit wanbetaling. Onder de definities is een definitie opgenomen van herstel uit wanbetaling.  Deze definitie geeft geldverstrekkers de mogelijkheid om een strengere definitie van herstel uit wanbetaling te hanteren, indien dat noodzakelijk is om aan de voor die geldverstrekker geldende prudentiële eisen te voldoen. Dit kan zowel zien op de in de definitie van herstel uit wanbetaling genoemde 90 dagentermijn als de vraag wanneer er geen sprake meer is van een wanbetaling. Hierdoor kan er ten opzichte van het uitgangspunt (90 dagen geen wanbetaling) op een eerder of later moment sprake zijn van een herstel uit wanbetaling en dus van een verplichting om een betaling verwachte verlies aan de stichting terug te betalen. Het gaat in dit kader om prudentiële eisen zoals die bijvoorbeeld zijn neergelegd in of voortvloeien uit de CRR. Dergelijke eisen kunnen van tijd tot tijd wijzigen. Als voorbeeld: De CRR kent geen volledig objectief criterium voor een herstel uit wanbetaling voor alle situaties. Daardoor zou een langere termijn noodzakelijk kunnen zijn om te kunnen spreken van een herstel uit wanbetaling. De stichting geeft geldverstrekkers met deze definitie van herstel uit wanbetaling de daartoe benodigde ruimte. Het staat een geldverstrekker wat de stichting betreft overigens altijd vrij om een ontvangen betaling verwachte verlies eerder aan de stichting terug te betalen. Het is de verantwoordelijkheid van de geldverstrekker om vast te stellen of dat is toegestaan onder de op hem van toepassing zijnde prudentiële eisen. 

 

De taxatiekosten die de geldverstrekker op grond lid 3 vergoedt maken geen onderdeel uit van het verwachte verlies in de zin van Artikel B11A. Deze taxatiekosten worden dus niet verrekend op grond van Artikel B13 en hoeven niet te worden terugbetaald als bijvoorbeeld sprake is van een herstel uit wanbetaling. De stichting vergoedt maximaal € 500 aan taxatiekosten, alsmede de over dat bedrag verschuldigde BTW. Als de daadwerkelijke taxatiekosten hoger zijn dan € 500 (exclusief BTW), dan zal de stichting dus maximaal € 500  plus BTW over deze € 500 (exclusief BTW) vergoeden. Als de stichting niet overgaat tot een betaling verwachte verlies, omdat de geldverstrekker de Normen en/of Algemene Voorwaarden niet in acht heeft genomen en/of omdat er geen sprake is van een verwacht verlies op grond van Artikel B11A, dan vergoedt de stichting de gemaakte taxatiekosten niet.

 

Het recht op de betaling verwachte verlies is een bestaand recht. Voor een lening verstrekt vóór 31 maart 2020, komt het recht tot stand op 31 maart 2020. Voor een lening verstrekt na 31 maart 2020, komt het recht tot stand op hetzelfde moment als de borgtocht tot stand komt met betrekking tot die lening. Het recht komt dus niet pas tot stand zodra een verzoek voor een betaling verwachte verlies kan worden ingediend en door de geldverstrekker aan de verdere Voorwaarden en Normen die op de betaling verwachte verlies van toepassing zijn is voldaan. 

 

Als een geldverstrekker de lening of de vordering op de geldnemer uit hoofde van de lening overdraagt aan een derde, dan kan de geldverstrekker geen verzoek meer indienen tot een betaling verwachte verlies voor zichzelf (ongeacht of de geldverstrekker ook het recht op de betaling verwachte verlies heeft mee overgedragen). Als al een betaling verwachte verlies was gedaan voor de overdracht van de lening of de vordering op de geldnemer uit hoofde van de lening, dient deze betaling verwachte verlies door de geldverstrekker te worden terugbetaald. Voorgaande doet echter geen afbreuk aan: (i) de mogelijkheid van de geldverstrekker om het recht op de betaling verwachte verlies (alsnog) tezamen met de lening/vordering op de geldnemer over te dragen (d.w.z. dat ook als een lening/vordering voor 31 maart 2020 door de geldverstrekker aan een derde is overgedragen, de geldverstrekker het recht op de betaling verwachte verlies met betrekking tot die lening/vordering alsnog aan die derde kan overdragen), (ii) het recht van de derde om aanspraak te maken op de betaling verwachte verlies (conform de Voorwaarden en Normen) mits dat recht aan de derde is overgedragen door de geldverstrekker en (iii) de mogelijkheid van de geldverstrekker om na een overdracht nog wel als inningsbevoegde (voor zover van toepassing/afgesproken met de derde aan wie het recht op de betaling verwachte verlies is overgedragen) de betaling verwachte verlies bij de stichting aan te vragen.