ARTIKEL C7 - Toetsrente

  • 1.

    Als toetsrente voor de bepaling van de maandlast(en) uit hoofde van de lening, wordt de van toepassing zijnde hypotheekrente gehanteerd mits de resterende rentevastperiode 3 jaar of langer is. Indien de resterende rentevastperiode korter is dan 3 jaar, dient te worden uitgegaan van de rente die door de geldverstrekker wordt gehanteerd bij NHG-leningen met een 3 jaar rentevastperiode tenzij de van toepassing zijnde rente hoger is. Indien de geldverstrekker  ten aanzien van NHG-leningen geen 3 jaar vast rentepercentage hanteert, dient te worden gehanteerd de rente van de eerst volgende rentevastperiode van de geldverstrekker bij NHG-leningen tenzij de van toepassing zijnde rente hoger is.

  • 2.

    Indien de hoofdsom van de lening bestaat uit meerdere leningdelen, dient van ieder leningdeel afzonderlijk de toetsrente, op basis van lid 1, te worden gehanteerd.

  • 3.

    Indien de geldnemer personeelskorting krijgt op de hypotheekrente omdat de geldverstrekker tevens de werkgever is, dient rekening te worden gehouden met deze rentekorting.

Bij de vaststelling van de toegestane financieringslast wordt gerekend met het daadwerkelijke rentepercentage indien dit nog 3 jaar of langer vaststaat. Indien deze periode korter is dan 3 jaar, dient de geldverstrekker het 3-jaars rentepercentage voor NHG-leningen te hanteren. Niet alle geldverstrekkers kennen een 3-jaars rentepercentage. In dat geval dienen zij het eerstvolgende rentepercentage te hanteren dat zij wel kennen. In de meeste gevallen zal dit het 5-jaars rentepercentage zijn. Indien de daadwerkelijke rente hoger is dan het 3- of 5-jaars rentepercentage, dient te worden gerekend met de daadwerkelijke contractuele rente.