6.3 Inkomen uit een zelfstandig beroep of bedrijf

  • 6.3.1

    Indien inkomen wordt genoten uit een zelfstandig beroep of bedrijf dient uit ditzelfde bedrijf met dezelfde bedrijfsactiviteiten minimaal de laatste 3 kalenderjaren aaneengesloten inkomen genoten te zijn. Het inkomen is de gemiddelde nettowinst van de afgelopen 3 kalenderjaren tot maximaal de nettowinst genoten in het laatste kalenderjaar. Ter bepaling van de nettowinst is het onderdeel “saldo fiscale winstberekening” van de aangifte IB leidend.

  • 6.3.2

    Het inkomen van een directeur-grootaandeelhouder dient te worden beschouwd als inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf, met dien verstande dat bij de toetsing dient te worden uitgegaan van het gemiddelde bedrag van de inkomsten uit arbeid van de afgelopen 3 kalenderjaren, tot maximaal het bedrag van de inkomsten uit arbeid genoten in het laatste kalenderjaar.

  • 6.3.3

    Indien uiterlijk per 1 juli van enig jaar gegevens van het afgelopen kalenderjaar niet beschikbaar zijn, dient te worden uitgegaan van de 3 kalenderjaren voorafgaande aan het afgelopen jaar.

Het inkomen uit een zelfstandig beroep of bedrijf dient minimaal drie kalenderjaren uit hetzelfde bedrijf met dezelfde bedrijfsactiviteiten te zijn genoten. Hierbij hoeft het inkomen van een zelfstandige niet 3 volledige kalenderjaren genoten te zijn. Dit betekent dat het jaar waarin het bedrijf is gestart, ook meetelt.

De drie kalenderjaren zijn noodzakelijk om de bestendigheid en continuïteit van het inkomen aan te tonen. Aan de hand van deze drie jaren wordt het gemiddelde inkomen vastgesteld. Indien het inkomen in het laatste kalenderjaar lager is dan het gemiddelde inkomen van de drie kalenderjaren, geldt het inkomen van het laatste kalenderjaar als toetsinkomen.

Rekenvoorbeeld:

Inkomen 2017: € 24.000,-

Inkomen 2016: € 31.000,-

Inkomen 2015: € 28.000,-

Toetsinkomen (€ 28.000,- + € 31.000,- + € 24.000,-) /3 = € 27.667,- gemaximeerd op € 24.000,-

Tevens komt het voor dat een zelfstandige in de voorgaande drie kalenderjaren tijdelijk een inkomensvervangende uitkering heeft ontvangen, zoals een WAZ-uitkering in verband met ziekte. Indien hiervan sprake is, kan dit inkomen als een (sociale) uitkering worden meegeteld om het gemiddelde inkomen van de laatste drie kalenderjaren vast te stellen.

Sommige zelfstandigen hebben geen jaarrapporten, zoals freelancers, deelvissers, predikanten, raadsleden en personen met inkomsten als zorgverlener uit een persoonsgebonden budget. Voor deze personen is een apart onderdeel opgenomen in de aangifte IB, te weten “inkomsten uit overige werkzaamheden”. Op basis hiervan kan het inkomen conform deze Norm worden vastgesteld.

In het kader van een lening met NHG is een aanvrager Directeur/Grootaandeelhouder (DGA), indien het aandeel in de B.V. meer dan 50% bedraagt. Het toetsinkomen wordt vastgesteld op basis van het onderdeel “inkomsten uit arbeid” van de aangifte IB van de laatste drie kalenderjaren conform Norm 6.3.

Bedraagt het aandeel in de vennootschap 50% of minder, dan wordt het toetsinkomen vastgesteld aan de hand van de werkgeversverklaring conform Norm 6.1 of 6.2.