2.5 Aankoop woonwagen

  • 2.5.1

    De kosten voor het verkrijgen in eigendom van een woonwagen bestaan uit:

    a: het laagste bedrag van:
    o de koopsom (exclusief roerende zaken) of koop-/aannemingssom;
    o de kosten van het vervoer naar en het opstellen op de standplaats;
    o de marktwaarde vrij van huur en gebruik blijkens een taxatierapport.
    b. de kosten van meerwerk of kwaliteitsverbetering en/of energiebesparende voorzieningen (zie Norm 1.9 en 1.10);
    c. maximaal 6% over de som van a/ en b.

  • 2.5.2

    De som van Norm 2.5.1 a. en b. bedraagt maximaal de marktwaarde vrij van huur en gebruik blijkens een taxatierapport zoals bedoeld in Norm 1.7.

  • 2.5.3

    De som van Norm 2.5.1 a. tot en met c. mag niet meer bedragen dan de kostengrens voor woonwagens (zie Norm 1.6.2).

Voor de aankoop van een woonwagen is het belangrijk om te bepalen wat een woonwagen is. Het bestemmingsplan is hierbij bepalend. Tegenwoordig ziet men op woonwagenstandplaatsen dusdanige constructies staan dat men bijna kan spreken van woningen. Conform het bestemmingsplan is het niet toegestaan hierop een woning te bouwen. Dit betekent dat, ongeacht de vormgeving van de woonwagen, de kostengrens voor woonwagens te allen tijde van toepassing is.

Net als bij de aankoop van een woning zijn de bijkomende kosten gemaximeerd op 6% en zijn alleen mee te financieren indien er ruimte is tussen de koopsom en de taxatiewaarde. Ook hier geldt dat de lening niet meer mag bedragen dan 100% van de waarde  van de woonwagen. Indien sprake is van het treffen van energiebesparende voorzieningen geldt een LTV van 106%. De extra leenruimte voor energiebesparende voorzieningen moet uiteraard volledig besteed worden aan energiebesparende voorzieningen.